Homo-theologen
kent u
die uitdrukking ?
Door: Dominee E. Gremdaat
Ik sprak onlangs, op een zaterdagmiddag, bij de bakker een wat oudere theoloog. We stonden allebei in de rij, in een lange rij. We hadden allebei een ingehouden verlangen naar een vers brood. Een lekker vers brood, met heerlijke rondingen en gleuven en op de juiste plekken brutaal knapperig. En natuurlijk lekker warm van binnen en van buiten, maar niet heet, want dat is niet goed voor je gezondheid. Maar wel zo warm mogelijk.
Langzaam schoof de rij voort. Op een zeker moment draaide de oudere man voor mij zich naar mij om en mompelde: 'Ik heb toch zo'n trek, dominee Gremdaat, ik sta gewoon op springen, innerlijk.'
En weer schoof de rij op, en weer kwamen we iets dichter bij ons doel, bij het belangrijke doel van die middag, het brood.
De man bleef praten en ik probeerde te luisteren, hoewel ik ook aandacht had voor anderen in de rij.
Het draait immers in het leven niet alleen om degenen die voor en achter je staan, maar ook om degenen die verder van je weg staan. Het draait niet alleen om vrienden en familie, maar ook om buurtgenoten en lotgenoten. Niet alleen om landgenoten, maar ook om werelddeelgenoten. We hebben met z'n allen met iedereen te maken. De rij is vaak langer dan we willen weten.
'Waar kijkt u naar, dominee Gremdaat?' vroeg de oudere man plotsklaps.
Moest ik zeggen dat ik naar de jongeman keek die zojuist achter aan de rij was aangesloten, of moest ik de man met een kluitje in het riet sturen en zeggen dat ik zomaar wat keek? Ik aarzelde.
'Geef 's antwoord, dominee Gremdaat,' zei de man voor mij op kortaffe toon. De rij voor ons was inmiddels een stuk kleiner geworden en de rij achter ons groter. Het gebeurt vaak in het leven: De rij voor je wordt kleiner en de rij achter je groter. En soms ben je blij, het is nu mijn beurt, en soms ben je teleurgesteld, het is nu al mijn beurt.
'Komt er nog wat van,' begon de man weer. Zijn ogen straalden ongeduld uit maar ook verbittering. En gejaagdheid. Hij had een kwartier geleden een vraag gesteld en hij wilde nu antwoord. Boter bij de vis. Hij kon niet het geduld opbrengen om uiteindelijk de stilte, de natuur, de geschiedenis het antwoord te laten geven. Op een vraag hoort een antwoord te komen, dacht hij. Zo had hij het geleerd en zo moest het ook geschieden.
'Ik keek naar die leuke jongeman die een kwartier geleden achter aan de rij aansloot en inmiddels ook weer mensen achter zich heeft. Het is een leuke jongeman met levenslustige donkere krullen in z'n haar.'
De man voor mij schudde z'n hoofd als was hij teleurgesteld. Alsof hij dacht: Waarom wordt er nooit naar mij met mijn lichte krullen gekeken? Hij zei: 'U houdt waarschijnlijk meer van donkere krullen dan van lichte krullen, en hoewel het me eigenlijk koud hoort te laten, steekt het me toch. Ik weet niet of u het aan mij kunt zien, dominee Gremdaat, maar ik ben een kanjer van een hetero-theoloog, en toch denk ik: Wat heeft hij dat ik niet heb?'
Weet u wat ik dacht? Wat een boeiende vraagstelling, wat een gedurfde maar boeiende vraagstelling.
Wat heeft hij dat ik niet heb? Wat voelt hij dat ik niet voel? Wat denkt hij dat ik niet denk? Wat weet hij dat ik niet weet? Waarom hij en niet ik?
De man voor mij leek stuurloos en verward.
'Ik ben geen homo-theoloog, dominee Gremdaat,' zei hij weer, 'maar ik aanvaard homo-theologen wel, mits ze de boel binnen houden en vooral met rust laten.'
En terwijl hij dat zei maakte hij een vlot sprongetje, draaide hij met z'n ogen en bewoog hij z'n polsen alsof ze los zaten.
Wie was deze man en wat ging er in hem om? Sprak zijn mond de taal van zijn innerlijk? Sprak zijn mond de taal van zijn lichaam? Sprak zijn mond de taal van zijn verlangens?
'Ik hou niet van openheid, dominee Gremdaat. Zoals u rondkijkt vind ik ongepast. De blik hoort naar binnen gericht te zijn.'
De man verhief, op haast emotionele wijze, z'n stem waardoor ik dacht: Zijn de woorden die uit z'n mond komen wel broertjes van zijn innerlijke gevoelens? Is hij de Zuidpool die schreeuwt dat hij de Noordpool is? Is hij de borrelende vulkaan die zegt dat hij de koude kikker is? Is hij de Liefde die zegt dat hij de Haat is?
Nog vier wachtenden voor ons en ik voelde dat de man tot een innerlijke bekentenis zou kunnen komen.
Overkomt u dat ook wel 's, dat je voelt dat iemand tot een innerlijke bekentenis zou kunnen komen? Iemand zegt dat hij niks zegt en je hoort dat hij wel iets zegt. Ik voel niks, en als je dan iemand aanraakt stroomt hij over van gevoel.
Nog drie wachtenden voor ons.
'Bent u een homo-theoloog, dominee Gremdaat?'
Weet u wat ik de antwoordde?
'Ja en nee. Ja, ik heb mijn homo-erotische en homo-seksuele gevoelens en ik doe daarmede waar ik zin in heb, en nee, ik heb ook mijn hetero-seksuele gevoelens en daar doe ik ook mede waar ik zin heb. Ik voel me vrij en ongebonden.'
De man leek tot inzicht te komen. 'Dus, dominee Gremdaat, als je ja zegt tegen het een hoeft dat nog niet te betekenen dat je nee zegt tegen het ander.'
Ik knikte bescheiden. Want op zo'n moment pontificaal je gelijk binnenhalen, kan een averechtse uitwerking hebben.
Nog twee wachtenden voor ons.
'Ik heb opeens zin om alles te zeggen, dominee Gremdaat, vindt u dat erg? Ik heb in het geheim al heel veel homocontacten gehad en ik doe soms ook aan outside cruising, maar ik durf daar niet voor uit te komen. Ik ben bang dat ik voor tweehonderd procent een homo-theoloog ben, maar ik schaam me daarvoor.'
En ik dacht ja, nu slaat hij weer door naar de andere kant. Voor tweehonderd procent homo zijn, dat kan niet. Dan passeer je de waarheid zo snel dat je opnieuw een gevaar wordt voor je eigen innerlijk.
Nog één wachtende voor ons.
Ik zei: 'Aanvaard uzelve in nuances en twijfel, in oprechtheid en verbazing.'
En de man begon te glunderen.
En terwijl hij aan de beurt was om het brood van zijn dromen te bestellen, zei hij tegen de nog vrij jeugdige en goed in zijn lichaam zittende bakkersjongen (sprankelende blauwe ogen, volle lippen): 'Ik ben een homo-theoloog en het zal niet lang meer duren of ik word lid-abonnee van het Werkverband van Homo-theologen, want dat bestaat, dat weet ik, en die kunnen nog wel iemand gebruiken als ik. Ik heb er echt zin in. Hebt u een half brood voor me en twee kadetjes?'
En de bakkersjongen keek eerst verbaasd naar de theoloog en begon daarna geheimzinnig te glimlachen. Hij pakte het halve brood en de twee kadetjes en fluisterde: 'Hebt u geen zin om straks, na sluiting, bij mij in de bakkerij nog wat na te praten? Tussen het gebak, de puntjes en het verse fondant.'
Dames en heren, ze gaven elkaar de hand en ik voelde de oprechte waarheid van dat moment. Directer en zuiverder kon het niet. Een jonge gevoelige bakker vond een vers ontwaakte homo-theoloog.
En ik dacht, goh wat kan alles
toch snel gaan als je je eigen innerlijke waarheid aanvaardt.
Durf te aanvaarden. Luister naar wat je innerlijk voelt en voel
wat er om je heen gebeurt.
Deze preek heeft dominee Eppe Gremdaat gehouden bij de viering van het tweede lustrum van het Werkverband van Homotheologen. Hij is gepubliceerd in: Kent u die uitdrukking? De beste preken van Dominee Gremdaat, Amsterdam 1997, 42-45.